Technologische innovaties

Tijdens haar hele geschiedenis heeft onze industrie gestage vooruitgang geboekt in de verbetering van de efficiëntie en effectiviteit van haar producten. We hebben bovendien grote inspanningen geleverd om proactief te blijven in kwesties zoals ‘veiligheid’ en ‘milieu’. Hieronder staan enkele mijlpalen van de industrie.

Eerste initiatieven van de industrie voor veiligere producten
In de jaren ‘30 en begin jaren ’40 van de vorige eeuw had zeep de voorkeur als oppervlakteactieve stof in textielwasmiddelen. Na de oorlog raakte de formulering van wasmiddelen in een periode van snelle ontwikkeling. De beschikbaarheid van op olie gebaseerde alkylaten leidde tot de introductie van tetrapropyleenbenzeen-sulfonaat als oppervlakteactieve stof in plaats van zeep.

Het duurde echter niet lang voordat er negatieve effecten op het milieu begonnen te ontstaan. Tegen het eind van de jaren ’50 verscheen er schuim op rivieren door heel Europa. Onderzoek wees uit dat het tetrapropyleenbenzeen-sulfonaat in wasmiddelen hiervan de oorzaak was. De ontoereikende biologische afbreekbaarheid van deze chemische verbinding werd een belangrijke factor geacht in het probleem.

De industrie reageerde door nieuwe, biologisch afbreekbare lineaire alkyl-benzeen oppervlakteactieve stoffen te introduceren en sloot in 1967 een vrijwillige overeenkomst op Europees niveau om het gebruik van tetrapropyleenbenzeen-sulfonaat te vermijden. Hierdoor nam de milieubelasting door wasmiddelen aanzienlijk af. Dit was een vroeg voorbeeld van een proactief en vrijwillig antwoord door de industrie op een milieuprobleem, zonder de noodzaak voor het maken van nieuwe wetten.

Nieuwe machines, nieuw textiel, nieuwe ontwikkelingen
Tegen het eind van de jaren ’60 en het begin van de jaren ’70 onderging de wasmachinemarkt een transformatie door de introductie van voorladerautomaten. Deze machines hadden nieuwe waspoeders nodig met totaal andere kenmerken, waaronder dat ze weinig schuim produceerden. Bovendien waren er nieuwe textielsoorten gekomen met synthetische materialen zoals nylon en polyester, die lagere wastemperaturen vereisten.

Rond de jaren ’70 ontstond er een probleem in bepaalde regio’s van Europa waar waterlichamen in toenemende mate last hadden van eutrofiëring, dat wil zeggen dat ze rijk waren aan voedingsstoffen die dichte plantgroei bevorderen, en als die planten afsterven gaat het dierenleven dood doordat dit proces hen berooft van zuurstof. Opnieuw reageerde de industrie snel en effectief, door het ontwikkelen van fosfaatvrije wasmiddelen (namelijk zeolieten en polymeersystemen).  Er werden ook nieuwe ingrediënten ontwikkeld in wasmiddelen om effectief wassen bij lagere temperaturen mogelijk te maken: enzymen voor het verwijderen van eiwithoudende vlekken (voor het eerst geïntroduceerd in een waspoeder in 1963); amylase-enzymen voor het verwijderen van zetmeelafzettingen (1973) en een bleekactivator bij lage temperatuur (TAED) in 1978 waardoor bleken kon worden uitgevoerd bij 60 °C in plaats van op kooktemperatuur.

Tegelijkertijd sloot de industrie een vrijwillige overeenkomst, volgend op de Biologische Afbreekbaarheidsrichtlijn 73/404 en met betrekking tot de biologische afbreekbaarheid van ingrediënten, om vanaf 1975 geen alkylfenolethoxylaten meer te gebruiken in huishoudwasmiddelen, vanwege hun matige biologische afbreekbaarheid. Ga naar Biologische afbreekbaarheid voor recente ontwikkelingen in dit onderwerp.

Richting grotere efficiëntie van wasmiddelen
In de jaren tachtig en negentig ging men door met innovatieve ontwikkelingen voor verbeterde efficiëntie. Deze verbeteringen hebben geresulteerd in vermindering van de hoeveelheid chemicaliën en verpakking die gebruikt worden per wasbeurt, terwijl de wasprestatie hetzelfde is gebleven of zelfs is verbeterd.

Door de vroege concentratie op het milieu heeft de industrie veel middelen en inspanning geïnvesteerd in oplossingen voor het probleem. Milieuwetenschappers van A.I.S.E. lidbedrijven hebben hierbij het voortouw genomen, samenwerkend met universiteiten en regeringsexperts in vele landen. Bijzondere aandacht is besteed aan het testen van de milieubestemming en effecten, risicobeoordeling en, meer recentelijk, levenscyclusanalyse. Het gebruik van deze gereedschappen heeft bijgedragen aan een diepgaander begrip van de invloed van de productspecificatie op het milieu.

Daarbovenop, na de ondertekening van de Declaratie van Rio over Milieu en Ontwikkeling in 1992, heeft de industrie haar inspanningen vergroot om producten te ontwikkelen op een duurzamere manier.

Tussen 1997 en 2002 heeft A.I.S.E. voor haar huishoudwasmiddelen een Code of Good Environmental Practice (code voor goede milieugebruiken) in de praktijk gebracht. Dit heeft geleid tot een verminderd verbruik van chemicaliën en verpakkingsmateriaal en een toegenomen gebruik van organische ingrediënten met een betere biologische afbreekbaarheid. Ook heeft deze Code het consumenten mogelijk gemaakt om de gemiddelde wastemperatuur die wordt gebruikt voor het wassen in Europa omlaag te brengen, waardoor de vereiste hoeveelheid energie aanzienlijk afneemt.

Sinds de vroege jaren negentig hebben A.I.S.E. en Cefic een aantal vrijwillige initiatieven ontwikkeld op het gebied van duurzame ontwikkeling. Het belangrijkste initiatief voor de zeep, was- en reinigingsmiddelen en onderhoudsproducten die verkocht worden in Europa is A.I.S.E.’s ‘Charter voor duurzaam schoonmaken’. Klik hier voor meer informatie over recente duurzaamheidsinitiatieven.


Deutsch Français Nederlands
Deutsch Français